Schrijfwedstrijden vragen vaak om de inzending van een kort verhaal. Daar wilde ik mij eens aan gaan wagen. Ik kwam er al snel achter dat een kort verhaal schrijven nog moeilijker is dan een roman. Vooral het einde is iets waar ik vaak mee worstel. Ik hoopte dat Rick DeMarinis, schrijver en schrijfdocent, mij daarmee op weg kon helpen met zijn boek The Art & Craft of the Short Story. Hoewel DeMarinis ongelooflijk veel goede tips geeft voor het schrijven van een kort verhaal, kon hij mij maar minimaal vooruit helpen op de punten waar ik mee worstelde.
DeMarinis geeft tips en voorbeelden, vooral uit zijn eigen korte verhalen, op alle facetten. Zo bespreekt hij wat een kort verhaal eigenlijk een kort verhaal maakt, wat een verhaal is (plot versus verhaal), met welke vormen en perspectieven je kunt spelen en wat het effect ervan is, beschrijvingen, setting, metaforen en vergelijkingen, thema’s, begin, midden en einde, personages, dialogen, stage business en nog veel meer. Hoewel de voorbeelden nu en dan een heel kort verhaal beslaan, die hij vervolgens op praktische wijze bespreekt, doen zijn hoofdstukken soms nogal theoretisch en essaymatig aan. Het is duidelijk dat DeMarinis echt zijn eigen kunstopvatting meegeeft en dat hij daarin een tikkeltje dwingend kan overkomen. DeMarinis vindt bijvoorbeeld dat je als schrijver echt een job hebt, en dat je deze serieus moet nemen. Het is dan ook je taak om bijvoorbeeld complexe personages op het toneel te zetten en ze te laten lijden. Zonder een motief voor je personage is je verhaal bij voorbaat al gedoemd om te mislukken. Daar zit je dan als beginnende schrijver, geen idee hebbende hoe je dit alles voor elkaar gaat krijgen in een kort verhaal. In het nawoord geeft DeMarinis gelukkig aan dat zijn opvatting ook maar één van de vele is en dat je deze met een korreltje zout dient te nemen. Die mededeling geeft in ieder geval weer ruimte om te ademen.
En soms heb je gewoon niets aan DeMarinis. Voor mijn zwakte bijvoorbeeld, het schrijven van een einde, kreeg ik nauwelijks goede tips. Om maar even te citeren hoe frustrerend zijn advies kan zijn: “ENDINGS. No one can help you here”. Nou, bedankt hè. Daar gaat mijn hoop. Gelukkig is DeMarinis daar in ieder geval eerlijk over. Ook voor hem is het einde het moeilijkst. Daar hebben we dan tenminste een gemene deler. Wat DeMarinis belangrijk vindt aan een einde, en wat je toch enigszins vooruit kan helpen, is dat de lezer wordt aangezet tot nadenken. Mooi is dan als de lezer een soort van epifanie krijgt en je korte verhaal een lange indruk achterlaat. Hoe je dit dan precies doet, dat weet schijnbaar niemand en dat is natuurlijk erg frustrerend. Je went je immers tot een schrijfboek met de verwachting dat een doorgewinterde schrijver en schrijfdocent precies weet hoe een verhaal in elkaar steekt. Die gedachte is naïef, dat weet ik, en dat is mogelijk ook wel mijn grootste leerpunt geweest van dit boek.
Verwacht niet, net als ik, om alle antwoorden en alle ‘geheimen’ op een presenteerblaadje aangereikt te krijgen. Het boek van DeMarinis heeft mij enorm veel waardevolle informatie gegeven omtrent het schrijven van een kort verhaal, die ook heel waardevol zijn als je de overstap wilt gaan maken naar een roman. Daarbij heb ik nog drie dingen geleerd, waarschijnlijk open deuren, die ik je mee wil geven:
- Lees vooral zelf veel korte verhalen en bestudeer daarvan de facetten waar je zelf ‘zwak’ in bent.
- Vraag proeflezers om mee te denken over jouw zwakke punten.
- Doe wat goed voelt, ondanks de feedback van anderen. Soms moet je het risico nemen, bijvoorbeeld als je meedoet aan een schrijfwedstrijd of je een verhaal instuurt naar een uitgever.