Blog

Zoeken

|
Telefoon: 0657033128
Een man met hoed en regenjas bezien vanaf de achterkant.

Inmiddels heb ik vier blogs geschreven over scènes. Eerst legde ik uit wat een scène precies is om vervolgens in te gaan op de structuur van een scène en je de technieken te tonen waarmee je een scène schrijft van begin tot eind. Ik eindig de serie over de structuur van een scène graag met een fragmentanalyse van de eerste scène uit mijn korte verhaal De vertegenwoordiger.

In mijn blogs liet ik je verschillende fragmenten zien uit eigen werk om je concrete voorbeelden te geven van de narratieve technieken die Jordan Rosenfeld beschrijft in haar boek Make a Scene. Ik vind het belangrijk om deze serie af te sluiten met een volledige scène waarin ik begin, midden en einde toon en mijn overwegingen daarbij. Op die manier kun je het beste zien hoe een scène in elkaar steekt.

De opening

In mijn blog over de opening van een scène gaf ik dit verhaal ook als voorbeeld bij de techniek ‘openen met een personage’. Het voorbeeld dat ik gaf bestond uit slechts drie zinnen met een samenvatting. In werkelijkheid is de opening veel langer, zo’n 250 woorden.

Op het podium verschijnt mijn hoofdpersoon Avélie. Het enige wat zij wil is zich afzonderen van mensen, dat blijkt ook uit haar gedachten en houding jegens haar buurvrouw. Haar verlangen in deze scène is rust en ze heeft ook de intentie om deze te verkrijgen. Ze probeert de buurvrouw te ontwijken, totdat we bij het midden van de scène aankomen. Hieronder de gehele opening van het verhaal.

De zon scheen en dat vond ze vreselijk. Het herinnerde haar aan geluk, vrolijkheid en lachende mensen.
Mensen. Bah.
Avélie zette de zware boodschappentassen op de grond en zocht haar sleutel. Met een beetje geluk hoefde ze de komende week het huis niet meer uit. En als ze wat tekortkwam dan bestelde ze het wel.
‘Buurvrouw!’ De schelle, veel te vrolijke stem van de buurvrouw deed Avélies schouders meteen strak staan.
Ze keek naar links en zag het mens zwaaien vanuit haar voortuin. Haar brede glimlach en de lichtgroene jurk met felroze bloemenprint maakte haar misselijk.
‘Joehoe! Buurvrouw!’ Het mens zette de schoffel neer waarmee ze een strook aarde voor de stoep aan het bewerken was en veegde het zweet van haar voorhoofd. ‘Hoe vind je mijn voortuin worden? Ik haal zoveel mogelijk tegels eruit en zet er straks mooie gekleurde bloemen en planten in.’
Kleuren. Bah.
Avélie sjorde aan de sleutel in het slot. ‘Geen tijd, buurvrouw. Ik moet koken.’
‘Moeten is zo’n verschrikkelijk woord.’ De buurvrouw stapte over het houten hekje dat de voortuinen van hun eengezinswoningen van elkaar scheidde en kwam dichterbij. ‘Ik ben er helemaal vanaf gestapt. Ik moet tegenwoordig niks meer. Alles mag. En ik kan je zeggen dat het heerlijk is!’
De voordeur ging open. Mooi. Nu snel naar binnen en de deur dichtgooien.
‘Ik zal toch moeten eten, buurvrouw.’ Avélie pakte de twee tassen en trok ze moeiteloos van de grond. ‘Doei hè!’ Met haar voet duwde ze tegen de voordeur.
Te laat.

Avélie heeft een hekel aan een mooie zonnige dag.

Het midden

Zoals ik in mijn blog over het midden al aangaf, is het lastig te zeggen waar het midden precies begint. In mijn fragment zie ik het moment waarop de zaken zich compliceren als de buurvrouw over Avélies grens heengaat door haar huis binnen te treden als het midden. Dit is namelijk het moment waarop Avélie psychisch in gevaar komt. Gevaar klinkt heel groot, maar het zit hem in mijn fragment eigenlijk in het feit dat de buurvrouw Avélies rust te verstoort en geen aanstalten doet om weg te gaan.

‘Zal ik helpen?’ De deur zwaaide open en het mens volgde Avélie naar de keuken. ‘Ik kan sinds kort zó goed koken. Ik heb er zó veel energie voor. Dat had ik eerst niet, weet je. Energie. Ik was net als jij.’ Ze nam een tas van Avélie over en zette deze op het aanrecht. ‘Wat heb je meegenomen? Zal ik een rijstschotel maken? Heb je rijst? Wokolie? Anders heb ik thuis nog wel wat liggen.’ De buurvrouw haalde de boodschappen uit de tas en opende de keukenkastjes om te zoeken naar kookgerei.


De buurvrouw is wel érg vrolijk

Het gevaar slaat om in nieuwsgierigheid als Avélie haar buurvrouw observeert en concludeert dat ze erg veranderd is. De eerst zo depressieve buurvrouw is te vrolijk. Het klopt niet in Avélies ogen en ze zoekt daar een verklaring voor in een haast sociologische overpeinzing. Die keerzijde van gevaar naar nieuwsgierigheid past ook wel bij de techniek van informatie achterhouden. Avélie wil weten wat de buurvrouw gebruikt om zo vrolijk te worden. Het is in dit geval dus de antagonist, de buurvrouw, die informatie achterhoudt die de protagonist (hoofdpersoon) wil hebben.

Avélie stond in de deuropening van de keuken met één boodschappentas in haar hand toe te kijken. Wie was deze vrouw in haar keuken? Ze wist dat het haar buurvrouw was, maar zelfs daaraan twijfelde ze. Ze was zo vrolijk, en zó vrolijk had ze het mens nog nooit gezien.
Hun woonwijk was een volksbuurt met slecht onderhouden appartementen waarvoor een veel te hoge huurprijs werd gevraagd. Zo’n zeventig procent van haar buurtbewoners had schulden en ’s avonds waren er altijd hangjongeren die vanuit verveling een bushokje of lantaarnpaal vernielden. De mensen in deze buurt waren somber. Ze hadden zorgen en stress. Datzelfde gold voor deze energieke buurvrouw die een paar weken geleden nog laveloos in een kapotte tuinstoel in Avélies achtertuin lag.
Welke drugs gebruikte haar buurvrouw en vooral: waar koop je die?

Het einde

We zien in deze scène dat het begon met een personage dat het podium op kwam. Ze had een duidelijk verlangen: rust. Dit verlangen werd verstoord door haar buurvrouw met een tegengesteld verlangen: gezelligheid en contact zoeken. Deze botsende verlangen zorgen voor conflict waardoor de zaken verder worden gecompliceerd. Dit resulteerde in het midden. Nadat het gevaar van de vrolijke buurvrouw die grenzen overschrijdt overgaat in nieuwsgierigheid, ontstaat er een nieuwe intentie om te weten hoe haar buurvrouw zo is veranderd. Daarom eindigt de scène als volgt:

‘Buurvrouw,’ zei Avélie.
De buurvrouw bekeek de enige pan die Avélie had die door kon gaan voor een wokpan. ‘Je pannen zijn zo oud, lieverd. Ik heb net nieuwe gekocht. Zal ik ze anders even halen?’ Ze kwam al in beweging, maar Avélie ging niet aan de kant.
‘Even pas op de plaats, buurvrouw.’
De buurvrouw giechelde. ‘Ik ben te energiek voor je, hè? Dat had ik ook toen ik depressief was. Iedereen die vrolijk was of energie had, vond ik ontiegelijk vervelend. Ik had beter aan je toestand moeten denken. Zal ik rustiger doen? Helpt dat?’
Avélie keek haar buurvrouw eens goed in de ogen. Geen roodomrande irissen of verwijde pupillen. ‘Wat gebruik je, buurvrouw?’
‘Wat ik gebruik? Voor in de rijst?’
Avélie zuchtte. ‘Ik heb het niet over eten. Welke drugs gebruik je?’ Misschien wil ik het ook proberen, voegde ze er in haar gedachten aan toe, maar ze zat niet te wachten op de kinderlijke energie die haar buurvrouw had. Ze was gewoon nieuwsgierig. Althans … misschien was “gewoon” niet het juiste woord.
De buurvrouw keek haar een moment aan en schoot toen in de lach. ‘Geen drugs, lieverd. Iets veel beters.’

De scène eindigt met een cliffhanger. De spanning zit hem niet zozeer in de onzekerheid over de uitkomst van mijn personage Avélie, maar in de vraag die nu in het hoofd van de lezer opdoemt: ‘Wat dan?!’. Het antwoord willen weten op die vraag zorgt dat de lezer meteen doorgaat naar de volgende scène.

fragmentanalyse welke drugs gebruikt de buurvrouw
Avélie wil wel weten welke drugs de buurvrouw gebruikt.

Zoals je ziet kunnen verschillende technieken samenkomen in je scène. Het uitgangspunt is de wil van je personage en de obstakels die je opwerpt om die wil in de weg te zitten om zo conflict te bewerkstelligen. Ook zie je in deze scène dat deze het plot vooruithelpt. We gaan na deze scène namelijk kennismaken met die zogenoemde vertegenwoordiger die Avélie aan die “drug” kan helpen.